De streek tussen Schelde, Maas en Dijle werd vóór de Romeinse bezetting bewoond door de Nerviërs. De Dijle vormde toen de scheidingslijn tussen de Nerviërs en de Eburonen.

In de Middeleeuwen was de Dijle de verbinding van de Rupel met Mechelen en Leuven, en via de Demer met Aarschot en Diest, later nam het kanaal Leuven-Dijle deze taak over.

Het brongebied van de Dijle bevindt zich in Wallonië. Het Dijleland strekt zich uit ten zuidwesten van Leuven. Het landschap is er vol afwisseling. In de valleien vind je weiden, boomaanplantingen en vijvers. Ze vormen soms zeer waardevolle natuurgebieden, zoals de Doode Bemde te Neerijse. Ten westen van de Dijle, langs de hellingen en op de plateaus tussen de bijrivieren, vind je uitgestrekt akkerland, vaak doorsneden met diepe holle wegen. Ten oosten van de Dijle vormen het Heverleebos en het Meerdaalwoud een vrijwel aaneengesloten bos van bijna 2000ha.

Behalve natuurschoon bezit het Dijleland ook talrijke fraaie monumenten, zoals de Romaanse Sint-Pieterskerk te Bertem en de Sint-Veronakapel te Leefdaal, het Bordegemhof te Bierbeek, de gotische kerken van Huldenberg en Sint- Agatha- Rode en de kastelen van Leefdaal en Neerijse.

De Dijle is van levensbelang geweest voor de stad Leuven. Die heeft er immers haar ontstaan aan te danken. Ze was energiebron voor de talrijke molens en sluizen. Ze was grondstof en spoelwater voor brouwerijen en andere industrieën. Ook Mechelen heeft zijn ontstaan aan de Dijle te danken. Hier woonden veel schippers en havenarbeiders die hun bestaan vonden in de activiteiten van de Mechelse binnenhaven. Men vervoerde vis, graan, baksteen, hout, turf, en later steenkool en niet te vergeten de alom bekende Mechelse stoelen. Door de Belgische onafhankelijkheidsverklaring kreeg de Mechelse handel en nijverheid en vooral de scheepvaart een flinke klap, daar het belangrijke afzetgebied in het noorden wegviel.

De plaats waar de Zenne en de Dijle en het kanaal Leuven-Dijle samenvloeien wordt het Zennegat genoemd. De zee is zo dichtbij dat de waterstand in het Zennegat tweemaal daags gemiddeld 4,5 meter stijgt en daalt, waardoor er enkel kan geschut worden van drie uur voor tot drie uur na hoogtij. Gevolg: haast alle panden die hier staan waren ooit café, veertien bij elkaar! Als het Gat leegliep hadden de schippers natuurlijk een goed excuus om zich te laten vollopen.

Eventjes terzijde:
Het levensverhaal van Margareta van Leuven, beter gekend als "Fiere Margriet", werd omstreeks 1222 opgetekend door Caesarius (+ 1240), een monnik uit de Duitse cisterciënzerabdij te Heisterbach. Het verhaal vertelt hoe Amandus, een Leuvens burger, beslist, samen met zijn vrouw, hun bezittingen te verkopen en in de abdij van Villers in te treden. In hun huis, de St.-Jorisherberg in de Muntstraat, werkt Margareta, een familielid. Op de vooravond van hun intrede krijgen ze nog mannen over de vloer die eten en overnachting vragen. Vermits op dat ogenblik geen drank in huis was, wordt Margareta uitgestuurd om wijn te halen. Ondertussen wordt Amandus beroofd en wordt de hele familie vermoord. Wanneer Margareta terugkeert, nemen de moordenaars haar mee buiten de stad waar zij wordt gedood en in de Dijle wordt geworpen. Haar lichaam wordt enkele dagen later door vissers ontdekt en op de oever van de Dijle begraven. Rond dit graf zien sommigen 's nachts licht branden. Het lijk wordt ontgraven, naar de stad gevoerd en in een kapel opgebaard. Mirakels blijven vanzelfsprekend niet uit. Tot daar, in grote lijnen, het relaas van Caesarius.